Gedichten

  • De herinnering aan mij

    Hakken schuren
    voeten slepen
    volgen lijnen in het hout

    het patroon van levensringen
    die een oud verhaal bezingen
    aanzet tot beweging geeft

    de cirkel leidt een pirouette
    en voltooit daarmee de dans
    en gelijk het repertoire
    die ze in de dansvloer stanst

    de fijne krasjes in het lak
    zijn er nog niet afgesleten
    ook de passen niet vergeten
    waar het hout reeds is gespleten

    telkens als het lied weerklinkt
    en in echo’s door het ruim
    en de leegte wordt geleid
    wordt geschiedenis gegrift
    in wat eens was geplaveid

    maar waar nu het verf verkrijt
    en in poeder door de lucht
    van de ruimte
    wordt verspreid

    “ik probeerde het te pakken,
    want ze leek eerst zo dichtbij”

    De herinnering aan mij.

    (gedicht over Alzheimer)

  • Smeltwater

    De torenhoge stadsgezichten
    brokkelen af
    gesteente valt
    betonnen muren
    verweven met staal
    buigen en duiken
    de bodem in

    en boven die aarde
    stort de hemel
    in duizend fragmenten
    en scherven
    omlaag

    sterren en maan verstoten van
    het stralend licht
    dat ons verlaat

    de levensaders dichtgeslibd
    de bossen weg
    zijn kaalgeknipt

    het leven is ons hart ontglipt

    het vuur bedaard
    de ziel ontaardt

    en het is hij die daar nu zit
    en in die eeuwige leegte staart.

  • De dingen die nooit gebeuren

    We treuren
    om de dingen die nooit gebeuren
    die nooit waarheid waren geweest
    of zijn

    De dingen die
    verstoffen
    verweren
    verstoten of
    verlaten

    In een kast verborgen of
    onder het bed

    Achter een dikke holle wand
    met spiekgat en al…

    Alles waarover niet gedacht is
    stoppen we daar weg
    en vullen de gaten met sop

    Ja, even dacht ik daar aan
    maar het was ook snel weer weg

  • Verbleken

    Kleur en vorm vervagen
    gedachten wassen uit
    zicht verbleekt en hersenspinsels
    druipen het verleden in

    waar ze weer herinneren
    voor een klein moment

    en dan door versletenheid
    weer voorgoed vergeten worden.

  • Vertrapt

    Het asfalt kraakt
    onder de vele voeten
    van een weg dat leidt
    naar het verre licht
    van een straatlantaarn

    Het geblokte licht
    het beheerste vuur

    ontsluit de duisternis
    en geeft de vorm
    een kans

    Betonnen bakken, huizen
    toont hij daar
    maar zwicht
    voor het kleine
    zuivere

    dat daar ergens verscholen lag

    en bloedde.

  • De materiële man

    Wanneer zijn geld en materie vergaat
    zal al zijn bezit humus worden
    en zal de leegte zichtbaar zijn

    maar uit die vergane
    dampende aarde
    zal het kleine pure geluk
    uit dezelfde gronden ontspruiten

    en overstijgen, elk bedrag
    en al wat ooit eens zichtbaar was

    | Édus Alús (Arinn)

  • Geboorteliederen

    De adem
    creëert de lucht
    waar vogels vliegen
    in luchtgedichten
    ze schrijven
    geboorteliederen.

    Vallend
    in de poel der waarheid.

    Daar loop ik
    naar mijn ziel

    waar ik zal zweven.

  • Vernielend verlangen

    Vanbinnen druipt het kleurloos water
    langs het steen zijn scheuren en naden
    neemt op zijn pad het grijze gruis mee
    en laat een spoor achter, langs zijn tracé.

    De diepzwarte glans van donker pigment
    en slierten kristalstof, zij vormt het accent
    van duizend rivieren, verstrengeld in één
    vertekend het beeld, gegrift in het steen.

    dat jaar en dag het licht heeft gezien
    de regen gevoeld, gehoord het gegrien.

    De ziltheid van leven, het bitter van haat
    de hitte van woede, de leegte van smaad.

    De triestheid, vergetelheid, kwaad, razernij
    vernielend verlangen, naar ik en jij
    … wij.

    En daar, in het gruis herken je mij
    gedrenkt in jouw tranen lijk ik dichtbij.

    maar onder het steen, daar leef ik niet
    noch in mijn stof, dat jij achterliet.

    Ik huis in jouw woorden
    en woon in jouw leven
    ik waan in akkoorden
    in letters verweven.

    Nee, onder mijn steen, daar lig ik niet
    ben ook niet de man die jou verliet.

    | voor de betreffende persoon

  • Stillevens in fragmenten

    De klok fluistert uren
    en wijst alle mensen
    de verre toekomst in.

    Breekt stillevens
    in fragmenten
    en brengt roering in de rust.

    De tijd verstrijkt
    het leven heerst
    verleden en heden
    verrijken elkaar.

    Stillevens in fragmenten.

    Hij rijgt ze aaneen
    en schikt een verloop
    een mijmering

    een lang verhaal.

    Maar de woorden verdrinken
    en zinken weg in
    nietszeggendheden

    Niemand laat zijn gedachten
    over zijn spinsels gaan
    een ruim zonder gedachten
    die niet wil bestaan.

    In stilte zal het uur naar de volgende gaan
    maar hij blijft in zijn stil
    stilleven staan.

  • Wit kant en filigrein

    In het duister, zonder schijn
    wordt het rafelig gordijn
    een in Mondriaan gesponnen weefsel
    met wit kant en filigrein
    vol met gaten, verschroeide plekken
    die geen donker kan bedekken
    langs het kleine raam der huizen
    tegen licht en wind of suizen
    voor het doffe glas geschoven.

    Doet de zon in kamers doven.

    Arachniden glijden langs hun fijne draden naar beneden
    en termieten knagen knarsend deuren en kozijnen door.

    Het pulver van het oude hout
    danst in mengeling van stof
    door de zwaar bedompte ruimte.

    Geesten vallen langs de muren als zwarte veren naar beneden
    verdwijnen in de kieren van versplinterde vloerdelen.

    Het leven blaast door het kleine rooster in de muur.

    De lamp gaat aan, het haardvuur knispert
    de klok slaat schel zijn laatste uur.

  • Inverse: Stilleven van beweging

    kalm
    stil
    sereen
    geruisloos
    valt het eikenblad
    weg van het witte wolkendek
    en de maanwinden omringt door zijn sterrennevels
    een leeg doek en zijn flikkerende stillevens, verjaagd door de vlucht van beweging

    en
    snel
    kringelt
    zijn adem
    in opwaartse gang
    via het blad zijn vallend pad
    naar de bevroren flikkering en schemere glans
    van de geruisloze dans en slierten nova’s die daarboven de hectiek sieren

    | dubbel Fibonacci gedicht: 1-1-2-3-5-8-13-21

  • Windekind (Aervia)

    Als opwaartse regen stijgt hij op
    langs  stromen, ladders, smalle paden
    hoge bergen, wijde banen.
    volgt de sneeuw,
    zijn zilte tranen.

    Beklimt de lanen
    van de wind

    en keert terug als windekind.

  • De vorm en zijn figuur

    Versluierd in de stilte
    schuilen toppen
    hoge bergen
    in hun grijze schemermist

    die elke vorm en elk figuur
    van zijn achtergrond uitwist.

    Daar waant een ziel
    en zijn viool
    gekooid
    als een solist.

    Wordt door zijn klank en levensstijl verduisterd en betwist.

    Daar slapen, zwijgend, mensen, vast.
    wachtend op zijn intro, dat
    oplaait als de kleur in zwart

    waar het weerklinkt
    en zwart en kleur met klank bedwingt.

    De wind die zingt
    en ieder met zijn toon omringt.

    Het bevend ritme
    laat ze dansen
    de neveldruppels,
    laat ze glanzen,
    laat ze door het landschap deinen,
    totdat ze voor het oog verdwijnen.

    en de vorm en zijn figuur
    het oog van alle mensen gunt
    en hem het hoogste hoogtepunt
    boven bergen laat bereiken,

    totdat al die mensen daar
    in walging voor hem wijken

    en hij zijn mist van eigendunk
    weer in zijn afgrond neer laat strijken.

  • Vergane kreten

    Dof
    vaag
    verbleekt
    geel papier
    woorden vergeten
    de stemmen van haar geweten
    weerklinken als een echo door het holle hoofd vol met luide vergane kreten.

  • De vier seizoenen | Et iver óhra’s

    Lente | V’ér
    De schimmige zon haalt de mens uit mineur
    en brengt de wereld terug in zijn kleur.
    de zee tovert zilver, de bomen smaragd,
    terwijl de wind de warmte toelacht.

    Zomer | Saétas
    Nu de vlammende gloed ons een briesje gunt
    bereikt euforie haar hoogtepunt.
    de wereld is buiten, speelt en danst vrij
    en aanbidden samen dit jaargetij.

    Herfst | Tàuumn
    De krachtige wind haalt schaduwen neer
    en bladeren tonen hun waarde wanneer,
    de regen recht neervalt, breekt en dan zwijgt
    en de spin het dauw aan zijn zijdedraad rijgt.

    Winter | H’iéms
    De glazen vlokjes, smelten ineen
    en bedekken de wereld, stil en sereen
    in een witte wollen deken, met zorg, fijn gehaakt,
    die de plantjes eronder, beschermd en bewaakt.

  • De poester

    Purperen klokken,
    schimmen, zonnevlokken,
    schilden van smaragd.

    Een poester daalt neer,
    voorbij de sterrenwacht

    en neveldruppels,
    glanzend op de bladeren,
    waarvan de fijne aderen
    het blad in fragmenten verdelen.

    De kinderen die spelen
    met uitgebloeide paardenbloemen.
    waar rond de zachte hommels zoemen
    nestelend in het gedroogde gras.

    Dansend in een veld van glas.

    Weerklinken de klokken,
    blokkeren de schilden
    de zonnevlokken.

    En de pure rust
    duikt neer en kust
    het hectisch leven.

    Daar,
    de poester blijft in winden zweven.

  • Het fakkelt

    De as kringelt neer en
    vliegt op in de zucht
    van de passerende passanten.

    Hun botten kraken luid
    en versplinteren
    onder het gewicht van duizenden,

    die het pad des doods doorkruisen.

    Hun bestaan verwatert
    als de zielen de grond in zinken.
    verdrinken, door hun last en zwaarte, kwaad,
    waardoor het “zijn” in aard vergaat
    en de rust wordt weggevaagd
    door hun zielig, zondig leven.

    Maar de fakkel zuivert as.
    hij wast het kwade weg en
    poetst “het zuiver” schoon.

    Totdat het blinkt en glimt.
    de mens tot adoratie dwingt
    en iemand zijn schoonheid vindt,
    en vraagt: waar schuilt en huist jouw kwaad?

    Welk wezen baart jouw kind?

  • Treincoupé

    In de nagalm van de tijd
    buiten mens en
    stadsgeschreeuw,
    roest weg
    een verlaten spoor
    met een oude treincoupé.

    De zure regen
    van verleden
    heeft zijn lak
    eraf gesleten.

    Zijn lichtjes uit,
    zijn fluit

    gezwegen

    Toch reist hij
    door jaar en tijd
    alle treinen
    met vaart voorbij.

    In stilte reis ik met hem mee
    de roestig oude treincoupé

  • Dat ben jij

    Het schittert en glanst
    breekt schaduw en licht
    hij fakkelt en danst
    verblindt en brengt zicht.

    Het zuiverste goud,
    zijn waarde voorbij

    behoedzaam, voorzicht
    houd ik het bij mij.

    Geluk, blijdschap,
    trots.
    Zo dichtbij.

    Die pracht
    dat vol vlamt

    dat moois

    dat ben jij.

     

    | voor mamschen

  • Gelegen in dons

    Jouw licht, jouw leven
    gelegen in dons
    zachte veren
    wit fluwelen

    een hand bewerkt doosje
    ivoor en goudbrons.

    Daar bewaar ik
    mijn dierbaar bezit
    als een parel, sneeuwwit
    fonkelend, glans.

    In dat doosje van brons
    gelegen in dons

    fakkelt en vlamt
    de liefde van ons.

    | voor oma

  • Randstad

    Door het hectische geluid
    klinkt dat prachtige gefluit
    van een lijster
    een beflijster.
    het wenkt mij de Randstad uit.

    De wegen leiden ons een weg
    langs huizen, gevels, hoge daken.
    mensen kwaken, of doen zaken.
    volle hoofden, vol met taken.

    maar ik zweef, heel bevlogen
    over die woeste wegen weg.

    Volg de lijster,
    zijn rechte pad.
    niet gebonden
    aan de stad.

    Maar wanneer hij neder daalt
    vind ik, bijna uit het zicht,
    middenin het drukke leven,
    zijn nestje in het stadsstoplicht.

  • Witte stenen

    De regen giet rivieren neer.
    de grond geniet nu des te meer,
    van de stralen,
    die neder dalen
    en stofjes
    naar beneden halen.

    Het wast het zand en aarde weg.
    zo ook het roet van die twee stenen,
    die onopvallend
    het gras ontsieren.
    maar het landschap doen verenen.

    Het wassende water,
    de stroom van regen
    wassen beide stenen schoon.
    poets zijn gezichtje, helder, bleek.
    het wordt wat witjes rond zijn koon.

    De diamanten waterdruppels,
    tonen de stenen
    hun ware aard.
    stilletjes, rustend,
    omzoomd met bloemen.
    liggend in de appelgaard.

    Gebrandmerkt met een gouden schrift,
    wat slechts deels nog is te lezen.
    maar zelfs blind ontcijfer ik
    jouw naam
    vol in de steen gegrift.

  • Vergeten vonkjes

    Cirkelend dalen deeltjes neer.
    gloeiend, schroeiend, zwart getint.
    meegedragen door de wind
    en bevangen van de hitte.

    Contrasteren, als de nacht.
    de schaduw van de witte sneeuw.
    dwalend, dalend, warmte stralend,
    terwijl ze vallen, o zo veel.

    Er kringelt rook en nevel op.
    evenals vervlogen taal.
    de woorden
    donker, dof en vaal.
    de vlam, hun lot
    het was fataal.

    Ze zweven alsmaar doelloos rond
    en lossen langzaam op
    in hun vergeten vonkjes hoop
    om samen weer de zin te zijn.

  • De witte reiger

    Dikkopjes schieten weg.
    kikkers schuilen onder de lelies.
    en de enkele gouden vis
    duikt vlug weg onder het wier.

    De schrijvertjes verspreiden zich.
    bootsmannetjes peddelen vlot.
    zelfs de lissen en het riet
    buigen voor de witte vogel.

    Die neder daalt.
    met veren pronkt
    en mensen naar de kant toe lonkt.

    Parmantig, staande op een poot
    poseert de reiger in de sloot
    voor een schilder en zijn doek.
    een vlugge schets met kleurpotlood.

    Tot de wind, zijn zachte zucht.
    de witte reiger tot zich vraagt
    en laat vliegen, zo ver weg,
    tot hij van ieders doek vervaagt.

  • En als kwarts mee deed

    Er ruist een wind,
    een wervelstorm
    uit de diepte der aarde,
    de geluiden enorm.

    Stuift al het grind
    vederlicht op.
    rotsblokken rollen
    tuimelend bergop.

    Het marmer trilt
    bauxiet gilt en rilt.
    en het graniet,
    hij speelt een lied.

    Maar het kwarts
    die hoor je niet.

    Er ruist een wind,
    een wervelstorm
    alten, sopranen,
    de geluiden enorm.

    Trillende akkoorden
    en wij dansen mee.
    het humus zijn aardespel
    wij volgen gedwee.

    En als het kwarts
    nu ook nog mee deed!
    dan was mijn klankenspel
    volmaakt en compleet.

  • De jeneverbes

    De takken hebben hun bladeren,
    inmiddels al weer afgegeven.
    Ze zijn nog maanden groen gebleven,
    maar toch zijn ze nu gevallen.

    Het bos oogt kaal, in wintersfeer.
    was de lente er maar weer
    of de zomer, blad en bloem.
    Iets ander dat dit kou-seizoen

    Toch gloort er, tussen sneeuw en ijs
    een groene waas,
    vol kleur en glans.
    alsof er in de winterkou
    een nieuw bomenplantje danst.

    En hoe hij met zijn stekels prikt,
    heel zachtjes, en ook zeer vertrouwd.
    het groene bos zoals vanouds.
    mijn leven in het gure woud.

  • Weefsel

    Ratelend rolt de ketting van het katrol,
    knarsen tandwielen,
    haken in.
    de spoel wordt huiverig
    doorgehaald.

    Zigzag, wirwar.
    vele draden.
    schieten door het
    weefgetouw.

    Duizend stofjes vliegen op.
    vormen smetten op het kleed.
    vlas en linnen,
    glimmend in het laatste licht
    van een ver verleden,
    die ik vergeet.

    Het patroon is overduidelijk,
    maar de richting van de draden
    zijn niet begrijpelijk en zo raar.

    Vreemde wentelingen in het web
    van miljoenen spinsels.

    Halen in het witte laken,
    verstoren het patroon.

    Had ik het textiel,
    de grote massieve schoorsteen
    en het schaarse daglicht
    dan allemaal maar
    ingebeeld?

    Is het allemaal niet waar?
    het weefsel,
    o zo raar?

  • Fragments

    Secuur kleef ik
    de fragiele foto’s
    samen met mijn mijmeringen
    op het dof, vergeeld papier.

    Het totale plot beschreven,
    maar toch eenvoudig en summier.

    Met schimmen uit
    een stoffig verleden
    en heldere lichten
    van een toekomstig bestaan.

    Al sta ik er nu
    mijlenver vandaan,
    ook deze strofen
    zullen erin staan.

    Diep gegrift,
    soms verbleekt.
    van de bladen
    losgeweekt.

    Versleten randen,
    rafelig, gescheurd,
    doch helder leesbaar.

    Goedgekeurd.

    Mijn fragmenten.
    losse flodders.
    bijeen gehouden
    door de kaft,

    die alles omhuld
    mijn leven vult

    en u als lezer
    de toegang verschaft.

  • Een verwarde herfstdag

    De warmte kringelt op,
    verdraaid het beeld in
    zijn warmtestralen.

    Spiegelt water op het asfalt.

    Wakkert vuren aan.
    rook daalt neer en
    kringelt op
    naar de zon.

    Een verwarde herfstdag.

  • Kiezel

    De korrels zandgrond glijden,
    bewegen schurend over de grond.
    ze gedijen goed in zee.
    vormen zich, prachtig rond.

    Een kiezel, zo zuiver, puur en vrij
    bijna de doorzichtigheid voorbij.
    zo vol van glas
    en glans

    Als hij over de bodem danst.

    | geinspireerd door Yiruma – River flows in you

  • De perkamenteter

    De olie glanst op de houten vloer.
    een schaduw danst,
    ligt op de loer.
    gretig kijkt hij naar zijn voer.
    de boeken in de boekenkast,
    waarvan het geheel wel in zijn magen past.

    Zijn vele magen,
    ze zullen knagen
    aan het vergeelde perkament.
    de inhoud nu nog onbekend.
    nog niet in zijnen hoofd geprent.

    Maar het zal niet lang meer duren.
    ik zie hem daar al hongerig turen.
    zijn vingers,
    reikend naar de kaften.
    zijn tong,
    likkend,
    vol met aften.
    door het eten, zeg maar vreten.
    van de hartige, pikante woorden,
    zoete zinnen,
    die hem bekoren
    en lang in de pan hebben liggen smoren.

    Al die woorden,
    ze vallen gestaag.
    om dan te belanden in zijn maag.
    hij hapt de stukken,
    breekt ze af.

    Scheidt het koren van het kaf.

    Elk klein hoofdstuk,
    proloog, betoog
    ze verdwijnen met een boog
    en knappen knarsend tussen zijn tanden,
    terwijl iets nieuws wacht in zijn handen
    om ook in zijn mondje te belanden.

    Het speeksel druipt eraf.

    Enzymen vallen de woorden aan,
    het perkament, het zal vergaan
    en stranden in zijn vol-bloed-baan.

    Als minuscule deeltjes vernuft,
    die hem verduft,
    van alles om hem heen.

    Versuft.

    Maar die boeken op het hout,
    enkele jong, anderen oud.
    het zijn die dingen,
    waarvan hij houdt.

    Zeg, blieft u misschien
    wat peper en zout?

  • Gekloofd

    Het wonderlijke sterrenspel
    druipt als strepen over de nacht.
    en het mannetje in de maan
    tuimelt tollend omlaag
    als de maan
    zijn lichtje dooft.

    De ster wordt als een steen gekloofd.
    een gespleten diamant.
    zijn stralend licht
    verdwenen.

    Nu hoop verdwijnt
    uit onze genen.

  • Vaarwel

    Inktzwart druipt over het strand.
    donker fluweel bedekt de landen.
    opbollend in zijn zielenrust
    duiken golven op de kust.

    Elke markering van de dag
    verbleekt door de roerselen
    van het tij.

    Als een schaduw
    met het licht nabij.

    De lentebries
    verliest
    zijn strijd
    warmte te houden

    En het koude
    van de zee
    kringelt
    met de golven mee.

    Vaarwel.

  • Aurum

    In de verte lonkt de renbaan.
    kilometers aan pure strijd.
    binnen een afzienbare tijd
    sprint hij de winst binnen.

    En zijn strijd zal straks beginnen.

    Maar in de zetels langs de kant
    weifelt een onzeker hart
    of hij de start en eindstreep haalt,
    en of hij, zonder geluksrecept,
    de winst behaalt,
    of dat hij faalt.

    Zijn benen moeten de sprint gaan maken,
    maar de kracht schuilt in dat simpel
    kleine ‘’speciale’’ ingrediënt
    dat niemand kent,
    of het gebruik ervan erkent.

    Het goud is daarmee snel behaald,
    maar de schaamte achteraf
    toont dat onder
    die verguldde medaille
    enkel lood en ijzer zit.

    Het Aurum smelt eraf
    in de hitte van zijn strijd.

    En wanneer het startsein klinkt
    laat hij zijn receptenboek
    ongebruikt op de zetel achter.
    en ziet de vergeelde bladen
    in snippers worden meegenomen
    door de wind
    die door zijn sprint
    het stof door het ruim verspreid.

    En als een dolblij gelukkig kind
    rent hij de winst,
    het pure goud,
    in hoge snelheid tegemoet.

    Zonder het geluksrecept
    en al die rotzooi in zijn bloed.

  • Peccatum (de zeven hoofdzonden)

    Superbia (ijdelheid)

    De spiegel glanst een evenbeeld
    zo wonderschoon,
    een prachtig beest.
    ik beweeg mijn hand, en zij doet mee.
    ik kijk haar aan, zij lacht tevree.
    vastgeketend aan haar gezicht
    en zelf de sleutel ingeslikt.

    Aan deze kant van het fragment
    straalt mijn schoonheid, ongekend.

    Avaritia (hebzucht)

    De hoogste berg beklim ik trots.
    Elke voetstap gemarkeerd.
    Mijn naam vol in het steen gegrift.
    Elke pas door mij beheert.

    En op de top, boven de wolken,
    onder de maan, die ik laatst ving,
    tover ik de horizon
    tot mijn persoonlijke hebbeding.

    En beide kanten van het fragment
    zijn louter voor mijn oog bestemd.

    Luxuria (wellust)

    In het ritme van regendruppels
    zal, onder deze gouden wolken,
    mijn gen de aarde gaan bevolken.
    en vormt een wereld, die niet bestond
    op mijn O zo vruchtbaar grond.

    Op deze zijde van het fragment
    wortelt mijn stamboom ongeremd.

    Invidia (afgunst)

    Waar jij je rijkdom en pracht vergaart,
    en de ander in de leegte staart,
    daar dwaal ik in het donker schijn
    tot al dat moois van jou verdwijnt.
    in stilte wacht ik op dat eind.

    Tijgerend achter dit fragment
    wacht ik tot jij de schaduw kent.

    Gula (onmatigheid)

    Ik schuw de enkelvoudigheid
    en sla mijn arm het liefst
    om alles heen, dat jij bezit.
    Mijn honger nooit gestild.
    Haastig zoek ik elke keer
    in elke poging
    naar ‘’veel meer’’.

    Verscholen achter dit fragment
    heb ik de duizend
    tussen tanden geklemd.

    Ira (toorn)

    Mijn ogen volgen dit spiegelbeeld
    vol rood en rijk doorbloed.
    een kokende lava in mijn hoofd,
    die door dit aanblik wordt gevoed.

    Ik schreeuw door merg en been
    de spiegel spat in splinters uiteen.

    Tussen de scherven van dit fragment
    kronkel ik sissend, als een serpent.

    Acedia (gemakzucht)

    De wereld is als een stil
    stilleven bevroren.
    doof voor alles dat ik wil horen.
    niets of niemand kan mij bekoren.
    of mijn tot roerselen bewegen.

    Onder dit bedekkend fragment
    rust ik, zonder dat ik me wendt.

  • Rozenwind

    De stille wind blaast
    in geurige vormen
    en neemt op zijn weg
    een rozenblad mee.

    Zij kronkelt en speelt
    onstuimig en wild,
    maar volgt de wind
    zijn stromen gedwee.

    En wanneer de woei
    afketst op zee
    kabbelt het rozenblad
    op het golvenspel mee.

    Ze verliet de roos
    om meer te zien
    dan alleen de donkere
    en saaie foyer.

  • Lagen kleur

    De fijne streken van het penseel
    vederlicht, over de grove muren,
    verhullen alle oneffenheden,
    die het ooit had te verduren.

    Jaren zijn voorbij gegaan.
    liters verf eraan verdaan.
    duizend kleuren heeft het geteld.
    miljoenen emoties heeft het verteld.

    Nu schilder ik, boven al die kleuren
    de tint, zoals hij is geweest
    in al zijn originaliteit.
    die laag lief ik toch het meest.

    Met dit onbevlekt begin,
    schilder ik een fris verschiet
    vol nieuwe lagen, nieuwe kleuren,
    die bedekken, de vele scheuren,
    in de dikke meters wanden,
    die rond mijn hartje
    zijn gebouwd.

    Maar ze voelden zo vertrouwd.
    die kleuren,
    waar jij van houdt.

  • I am your shadow

    Ik rek me uit bij
    het dalen van de zon
    en reik mijn hand naar
    elk geluk
    dat mijn greep
    kan houden.

    En wanneer hij stijgt
    en zijn stralen opnieuw
    over de aarde glooit,
    dan stijg ik op en
    omarm ik je.
    als je schaduw.

    Nimmer van je zij.

    | voor D.
    Geïnspireerd door: Sanvean – Lisa Gerrard.

  • Verdicht

    Totale windstilte
    ruist door de bomen.
    vergetelheid schijnt licht
    op lang vervlogen dromen
    van een mijlenver heden.
    te snel voorbij gegleden.

    een bevroren hersenschim
    in een verlichtte nacht.

    Daar tekent hij contouren,
    tegen een zwarte, bleke hemel.
    legt hij de sterren,
    die zijn pad omhoog versperren,
    het stille zwijgen op.

    Hij daalt de trap naar boven af.
    treedt in de vervaagde voetsporen
    van een nog nooit belopen pad, dat
    cirkelend zijn einde nadert.
    spiraliserend, samenzwerend.
    doch bereikend het eindigend begin.

    Zijn fakkels vlammen zonder warmte,
    maar regeren het regiem.
    en bepalen het vaste ritme, waarmee
    ik mijn richting volg, gedwee.

    Terwijl hij loopt breken treden
    voor zijn lichte voeten af.
    splijten de wanden, van de toren
    die hij beklimt, bergaf.
    en laat de pyloon, O zo hoog,
    torderen in zijn vacuüm.

    Maar hij bereikte,
    zo boven, zo beneden,
    zijn uiteindelijke doel
    in deze verdichte wereld.

    Dicht bij het kunstwerk: A way.

  • Oculus

    Kristalhelder en
    gezuiverd van leed.
    ontsnapt klein geluk
    uit de oculus van haar ziel.

    Een parel
    vol glans.
    een schittering
    breekbaar als glas.

    Het roert mijn hart
    overspoeld emoties
    tot ook de massieve dijken
    achter mijn ogen breken.

    Zo mysterieus.
    het land der tranen.

  • The mirror and it’s fragments

    Windstilte heerst,
    echo’s zijn bevroren
    onder reflecterend oppervlak
    rust het spiegelbeeld.

    Tot daar,
    van bovenaf.
    een traan of regendruppel
    de stilte doorbrak.

    Een kogelschot golft geluid
    stuwt het water, als een zijde laken
    gekweld door de woeste wind.

    Daar schieten scherven, scherp,
    priemend in de lucht.
    laten vrij wat onder de spiegel
    ooit eens bevroren lag.

    Gevreesd door velen.

    Uit het diepe zwarte water
    druipen woorden de wereld in.
    worden verhulde stemmen gehoord.

    Daar weerklonk de spiegel
    en zijn fragmenten.

  • Ooit woedde ik met hem mee

    De vergetelheid schijnt schemerlicht
    op een afgebrokkeld stuk graniet.
    wind in de wilgen, het levenslied.
    een vergezicht,
    van mijn leven.

    De woorden zijn inmiddels
    uit de gravure versleten.
    te vaak over het hoofd gezien
    of zelfs totaal vergeten.

    En de enkele rode roos,
    of wit, ik heb zelfs geen idee
    is de verwelking al voorbij
    volgt als stof de wind gedwee.

    Ooit woedde ik met hem mee.

  • Nautilus

    Wind blaast poesters,
    over een witgeblakerd land.
    verzand, gestrand,
    op de kliffen getreden.

    Gedachten glijden,
    over de woeste golven,
    verzwolgen, bedolven.
    fluistering verdwenen.

    Zacht gesuis,
    een wereld vol leven.
    naar de kade gedreven.
    opgedoken uit zee.

    Daar plaats ik
    teder tegen mijn oor.
    verstomt, elk gehoor
    de nautilus schelp.

    En lokt eenieder,
    die niet horen wil,
    naar eindeloze stilte
    van de zoet
    en zilte
    zee

  • Een luisterend oor

    Mijn hoofd rijmt een woord
    in de hoop een zin te maken
    en de zinnen tot een lied
    maar de tonen hoor ik niet.

    Een waas ligt als een wollendeken
    over mijn gedachten heen,
    die mij in een dagdroom laat
    zo warm, zo knus en zo sereen.

    Toch, deze wereld in het dons
    laat mij mijn leven niet beleven.
    dempt alle grillige akkoorden
    en laat mij boven noten zweven.

    Verweg van de sleutel,
    sopraan en tenor
    verdwaalt voor geluid
    en dom voor gehoor.

    een luisterend oor
    zal ik nooit voor je zijn.
    het spijt me, mijn kind.
    ik weet, het doet pijn

    Maar in plaats van muziek
    couplet of refrein
    zal er des temeer
    liefde voor jou zijn.

  • In zwart gehuld

    Een wolkenbreuk schijnt licht
    op de schemer van de aarde
    laat de vlakke vormen vormen
    en een gloed van kleur ontvlammen.

    Leven vloeit, als bollend laken
    en laat mens en dier ontwaken
    uit een dromen loze slaap.

    Maar jij greep alleen de schaduwen
    het zwart contrast van de bleke nacht
    verstopt je voor het schemerlicht
    van de met kleur gevulde dag.

    Het liefst schilder je het leven zwart
    weg van kleur, dat jou verward,
    omdat ze met zo velen zijn
    en niet passen in je brein

    Dus sluit jij je voor ons af
    van alles dat een kleur bevat
    anders dan het zwart en grijs,
    want zij geven niet veel prijs.

    Neuriënd in een eigen wijs.
    Verdwaal je in de kleurenregen.
    Die telkens opkomt, als een naaste
    de liefde geeft,
    die je verlangt.

  • Zilverval

    Een westenwind
    brengt zilverval
    sterren schitteren
    een duizendtal.

    De maan tovert dauw
    als wereldse sterren
    een kleed, verspreid
    over de aarde zo wijd.

    Men preekt over schimmen,
    die mensen diep van binnen
    de kou om het hart slaan.

    Maar deze betovering
    is als een tinteling.
    de maan een zilverling,
    een vergeten kostbaarheid,

    die ik maar al te graag aanschouw
    en met hart en ziel vertrouw.
    de nacht, gehuld in blauw,
    het licht waarvan ik hou.

  • De stilte van oorlog

    Een duistere schaduw,
    bedekt dorre aarde.
    zand zweeft na geweld.
    de kilte van kwaad,
    heeft levens geveld.

    Bedompte schoten.
    verweg, doch dichtbij.
    de pijn van het hart,
    seizoenen voorbij.

    Een eeuwige winter.
    voelt kil, zonder kou.
    vergeten in stilte.
    de mensen in rouw.

    Hoop lijkt verbannen,
    de liefde verbrand,
    met gestorven geluk,
    liggen hand in hand.

    Daar brengt de dauw,
    een glinster op het land.
    en geeft de zon,
    zijn goud weer aan het zand.

    Daar spreiden de vogels,
    hun vleugels wijdt uit.
    vervliegen de oorlog.
    de tijd gaat vooruit.

    Eén sprankje hoop,
    hoeft maar zo klein te zijn,
    maar zo klein als het is,
    zo groot zal het zijn.

    Want het kwaad en venijn.
    het leed en de pijn.
    ze zullen weg zijn,
    nu het hart zo puur schijnt.
    Geschreven voor: In the heart of the forest.

  • Schaduwen

    Ze slapen in contrast,
    en schuilen in de nacht.
    Ze willen waarheid worden,
    even vaste vormen vormen.

    Toch zijn ze steeds afhankelijk,
    van de vlakken om hen heen,
    waar ze hun donker kleed,
    als zwarte verf,
    aan materie plakken.

    Ze bewegen als ik dans.
    Leven pas, als ik me wend.
    Het doet me beven,
    door merg en been.
    Waarom gaan ze nu niet heen!?

    Maar als ik de lichten doof.
    Zijn die enge schimmen,
    die klevende monsters,
    gelukkig weer verdwenen.

  • Bevroren warmte

    De wereld zwijgt,
    gemoedsrust wijkt.
    De fakkelende kaars staat stil.
    De dans van vlammen,
    wacht standvastig.
    Het vuur kalmeert,
    de warmte kil.

    Geen gouden glans.
    Geen wakende wachter,
    die de hal in huis bewaakt.
    Geen traan of druppels kaarsenvet.
    Het donker is voorgoed ontwaakt.

    Daar spoken schimmen,
    schichtig, slecht,
    bevend bang.
    Schudt mens en kind.
    Daar heerst de kou
    veroorzaakt door
    een schel gehuil
    van zware wind.

    Maar zelfs wanneer orkanen woedden,
    beweegt de kaars op tafel niet.
    Want waarom zou hij willen leven,
    nu hij de ware aarde ziet.

  • Nabij

    Als een vogel zonder vlucht.
    Winden die hun zucht verliezen.
    Leugens, welke waarheid worden.
    Woorden, ongeschreven inkt.
    Angst doorvoed, vergeten geluk.
    Orde die voor chaos knielt.
    De wereld om hen heen vernielt,
    klanken weg, verstild, ontzield.

    De zon verduistert,
    de maan vergaan.
    Mijn stem is niet meer te verstaan.
    Een wereld in winter,
    kou zonder sneeuw.
    Getijden bevroren.
    De kans lijkt verloren.

    Waar oorlog zal heersen,
    en vrede begraaft,
    daar is de dood
    nabij…

  • Lentesopraan

    Vergeten zijn de zwarte woorden,
    wanneer de kou het land bevolkt,
    de pure wind het lied vertolkt,
    van sneeuwkristallen,
    die neder vallen.
    Ons samenbrengt,
    met zijn allen.

    Vergeten zijn de gure tijden.
    wanneer het water langzaam stolt,
    een kind die door de vlokken rolt.
    een witte deken
    die kwaad doet breken
    en geluk zijn woord laat spreken.

    Geboren worden, nieuwe tijden.
    Die onder de sneeuw,
    heel bescheiden,
    hun kleur over de wereld spreiden.

    Daar wordt een nieuw couplet geschreven.
    Het levens lied doorgegeven,
    van pure wind, naar ochtendgloren.
    Zullen de grillige akkoorden,
    die in de winter zo prachtig zijn,
    verdampen door de zonneschijn,
    en harmonieus overgaan,
    naar een warme
    lentesopraan.

  • Woordenwater

    Blinkend glom het waterglas,
    op de eikenhouten tafel.
    Roerloos, schimmend, levens-stil.
    Gaapt niet eens een gil.

    Ieder stopt er woorden in.
    Woorden die mijn tere ziel,
    tot op het bot doet beven en rillen.
    Kan mijn onrust niet verstillen.
    Mijn leven flitst voorbij.

    Daar sta ik, onbewogen,
    stil.
    Glas wordt aan mijn mond gedrukt.
    Woorden glijden langs mijn lippen.
    Bitter, zuur van kwaad en nijd.

    Wanhopig wens ik niet te slikken.
    Wil de woorden uit me spugen.
    Maar de drang,
    de ademnood,
    wordt bij de minuut zo groot,
    dat ik me niet meer kan verzetten.

    Hij dronk de woorden als vergif.
    Zijn leven stierf ter plekke.
    Om hem heen een luid gejuich.
    De lucht gevuld met vuil en tuig,

    die zijn mooie, gouden leven,
    voor eigen ego,
    heeft af gegeven.

    Nu ben je weg…

  • Rijp

    Vandaag vond ik een blaadje,
    verborgen onder rijp.
    Ik wilde hem zo graag voelen,
    maar kon er helaas niet bij!

    Het leven was bevroren,
    onder een dun laagje glas.
    Kun je wel begrijpen?
    Hoe moeilijk het voor mij was,

    dat ik iets,
    waarvan ik hou,
    stil bevroren in de kou,
    niet meer bereiken zou?

    Dus deed ik een wens.
    Sprak woorden naar de plant,
    ging wat dichter bij hem zitten.
    Gaf hem de warmte van mijn hand.

    En toen werd mijn wens verhoord.
    De dooi trad in,
    tot water smolt ijs.
    Ik wist, dit is een nieuw begin.
    Lucht werd blauw, uit grauw
    en grijs.

    Met de kracht van woorden,
    en de warmte van mijn leven.
    Wist ik ijs te verdampen,
    en geluk weer een kans te geven.

    En het frisse groene blaadje?
    Tussen winter-kou en guur,
    voelt zijdezacht, als nieuwe dauw.
    net sneeuw, maar warm en puur.

    En telkens, als het winterweer,
    mijn leven stolt, met tegenwind.
    Denk ik aan al het blijde leven,
    dat zich achter de kou bevindt.

  • Waar bomen boven bergen reiken

    Waar bomen boven bergen reiken.
    En ieders hart gezuiverd is.
    Waar leven niet te doden valt,
    wordt toekomst de geschiedenis.

    Daar zal de tijd niet ouder worden.
    Alles blijft en wil bestaan.
    En ooit, in het keerpunt van mijn leven.
    Zal ook ik naar dat plekje gaan.

    Het is een plaats, die enkel in dromen.
    En alleen te zien is, voor een kind.
    Maar het is een fantastische plek.
    Waar het leven echt begint.

    Weet je nog, toen ik vertelde.
    Over dat scheepje richting de maan.
    Die over een zee van vlinders voer.
    Ver bij het kwaad vandaan.

    Wel zo’n scheepje zal je brengen.
    Naar een plaatsje, weg van hier.
    Dus wees niet bang voor deze reis.
    Je beleeft er zoveel plezier.

    Dus, mijn kindje, droom maar zacht.
    Sluit je ogen, en vergeet de strijd.
    Ga maar naar die prachtige wereld.
    En geniet, mijn lieve meid.

  • Penseelstreken

    Verzilverde, verborgen lijnen,
    teken je aan de avond lucht.
    Verbind de sterren tot één geheel,
    Strijkt je streken met penseel.

    Een wonder aan de horizon.
    Je creatie spiegelt geluk.
    Een eigen pad, vol geschetst.
    Voorgoed in het bestaan geëtst.
    Het laat zijn sporen na.

    Die paden,
    die zal jij belopen
    Totdat je aan de verte verdwijnt,
    als sterren, rijkend naar de zon.
    Verdwijn jij, aan jouw horizon.
    En laat mij slapend achter.

    Toch zal je elke nacht verschijnen,
    in de wereld van mijn hart.
    waarvan jij het grootste deel,
    het complete tafereel,
    in je eentje beschilderd hebt.

    Nu kleurt mijn hart,
    aanwezigheid.
    Al ben je ver van hier.
    Maar de voorgeschreven wegen,
    die langs de sterren,
    naar de toekomst leiden.
    Zal ik volgen,
    overwegen.
    zal mijn er overheen bewegen.
    Tot het einde,
    van mijn hart.
    Uiteindelijk stopt,
    bij jou.

  • Jouw schrift zal mijn bijbel zijn

    Zoekend, langs schrift en taal.
    Banend door woord en zin.
    Speurend naar dat ene verhaal.
    Rijkend van eind naar begin.

    Daar zal ik jouw woord van leven lezen.
    Wordt het ‘’zijn’’ van jou bekend.
    Dan zal mijn weten worden bewezen,
    van welk persoon jij werkelijk bent.

    Ook zal ik het oeuvre ‘’emotie’’ beseffen,
    wat jou beweegt en wat je raakt.
    Welk kwaad en goed je hart kan treffen,
    en wat jou nu de juiste maakt.

    Ik zal het Opus ‘’gedachten’’ naleven.
    Weten wanneer ik er moet zijn.
    Hopend dat je me ooit kunt vergeven,
    voor al het slechte dat in me moest zijn.

    Ik zal de creatie van jou gaan omarmen.
    Jouw schrift zal nu mijn bijbel zijn,
    en elk woord zal mijn hart verwarmen.
    Je maakt mijn ziel, puur en rein.

    Maar mag ik je boek van liefde lezen?
    En mijn zin in je leven griffen.
    Kan ik de letters, die zoveel vrezen.
    In de kaft van je leven frezen?
    En onze letters doen samenvloeien.
    Tot één perfect verhaal.
    Die in ons leven zal blijven groeien,
    tot ons persoonlijk ideaal.

  • De wolken zullen winden worden

    Waar wolkentorens de lucht bevolken,
    en grijze sluiers het blauw verjagen.
    Daar zal straks de regen zijn.

    Waar vogels liever lager vliegen,
    en dieren naar hun holen hollen.
    Daar zal straks de storm weer zijn.

    Waar parapluutjes haastig open gaan,
    en deuren gesloten dicht blijven.
    Daar zullen wolken winden worden.

    De regen plenst buien.
    De storm breekt wegen.
    De wolken worden winden.
    De natuur gaat dicht.

    De dieren gaan naar binnen.
    Mensen schuilen onder daken.
    Wachtend tot ze weer ontwaken.
    Daar treed de herfst weer in.

  • Libanon

    De dreun galmt in de verte na.
    Splinters vliegen rakelings,
    langs ingestortte gevelbeelden,
    waarachter bange mensen schreeuwen.

    Lopend over levend aarde,
    levend zand, van dode huid
    Bloemen geknakt van ruw geweld.
    Wachtten mensen op een held.

    Water rood, lucht vol zielen.
    Zie ik daar een kindje knielen.
    Biddend voor vrede,
    voor haar land.
    Plant een zaadje in het zand.
    Daar zal weer een leven zijn.
    Een nieuw leven,
    zonder pijn.

    Want al lijkt het meisje klein,
    haar hart zal daar het grootste zijn.
    Ter nagedachtenis van de omgekomen mensen in Libanon.

  • The Swan Child

    In glas en zilver,
    witte lijnen.
    Breidt het water,
    langzaam uit.
    Langs zachte veders,
    zijde kleed.
    Voert het Zwanenkind vooruit.

    Fantaseert een eigen wereld,
    vol met dromen,
    en plezier.
    Waar iedereen in plaats kan nemen,
    als je hem volgt,
    in zijn rivier.

    Achter de ogen van een kind,
    kan duister, licht en warmte zijn.
    Haat zal zich tot vrede vormen.
    Zielenrust in plaats van pijn.

    Dus luister naar zijn wijze woorden.
    Ervaar de wereld die hij ziet.
    Waar elk  persoon geluk kan hebben.
    Vergeet je zorgen,
    en geniet.

  • Verlatend schip

    Zacht suist de westenwind,
    en laat het zeil bollen.
    Roert krullen in het water.
    Rolt koord over de katrollen.

    Anker wordt omhoog gehezen.
    Diamanten vullen de lucht.
    Roer wordt vol omgeslagen.
    Het verlatend schip,
    begint zijn vlucht.

    Een tocht over zee en duizend stromen.
    Voorbij de bergen, langs het dal.
    Tot de wolken, zijn zonnestralen.
    Van open water, tot de wal.

    Daar zal ik mijn scheepje voeren,
    tot ik met mijzelf verdwijn.
    Ik vaar weg van al mijn zorgen,
    en bereik waar ik wil zijn.

  • Hemelsluier

    Daar daalt neer een hemelsluier,
    over het frisse zilveren gras.
    Fluistert woorden in de nacht,
    die tergend langzaam,
    zijn einde nadert.

    Verschuilt het leven op de aarde,
    en het geritsel ondergronds.
    Verstopt de struiken en de bomen.
    Brengt de horizon omhoog.

    En daar loop ik,
    over nevel
    En mijn voetstappen,
    ongezien.
    Ik kan zelfs mezelf niet zien.
    De witte sluier, een barricade.

    Bij elk geluid lijkt grond te trillen.
    Mijn gehoor staat vast op scherp,
    omdat mijn ogen toch niets vinden,
    zijn de geluiden des te sterk.

    Plots verdwijnt het spookgordijn.
    Een schaduw flitst,
    een leven verschijnt.
    Ik kan je eindelijk weer omarmen.
    Nu de waas snel weer verdwijnt.

    Daar stijgt op, de hemelsluier
    naar de stralen van de zon.
    De eenzaamheid is eindelijk verdwenen.
    Mijn leven terug,
    naar waar het begon.

  • Herfstorkest

    De vage stilte van de nacht,
    ebt weg in de eerste stralen,
    en de nieuwe, spannende verhalen,
    van een beginnende frisse dag.

    Vallend, duizend drupjes dauw.
    Danst een ritme over de bladeren,
    die langzaam de grond naderen,
    en de levens laten ritselen.

    Hoor de eerste vogels tsjilpen,
    naar hartenlust, een canon.
    Geroezemoes tot de horizon.
    Van een Tenor tot een Sopraan.

    En de grillige akkoorden van de wind,
    dragen ook hun steentje bij,
    aan de muziek van het jaargetij,
    dat harten weer met liefde vult.

    Een prachtig zuiver herfstorkest.
    Dat samen met de kleuren vloeit,
    tot een spel, dat een ieder boeit,
    en zorgt dat mijn leven,
    is opgebloeid.

  • I’m in here

    Een lege stoel,
    waar ik eenzaam heb gezeten.
    Een gedekte tafel.
    waaraan ik vroeger heb gegeten.
    Een verschoven deur.
    die toegang tot mijn huisje gaf.
    Een gespleten dak,
    waar het licht zich naar mij begaf

    Met al mijn verdriet,
    het afval van mij leven.
    bouwde ik een huisje om mijn hart.
    om mijn leven te vergeten.

    De deur vergrendeld.
    Met een zwaar vergulden slot.
    Want alles daarbinnen,
    was toch al kapot.

    Ik blijf hier zitten wachten.
    Tot mijn verstand de wereld neemt,
    en ook mijn gebouwde huisje.
    van mijn bezittingen ontneemt.

    Maar voordat dat moment is aangebroken.
    Zal mijn hart al gestorven zijn.
    Want hij is niet gemaakt,
    om moederziel alleen te zijn.

  • Klokkentoren

    Wind versnelt de tijd.
    Duwt de wijzers van,
    de klokkentoren,
    een klein stukje vooruit.

    De cirkel is rond,
    de klok van twaalf.
    Luid ratelend vliegen kettingen,
    door de tanden van beweging.

    Veer ontspant zich.
    Stuwt energie door,
    de wielen en de klepel,
    die me van boven zwaait.

    Met eerbied schampt hij,
    de koperen bel.
    Brengt trillingen,
    die de wind doet beven.

    Geluid baant zich voort.
    Doet duiven opvliegen.
    Galmt door muren en ramen.
    Om uiteindelijk bij mij te komen.

    De trillende wind versnelt de tijd.
    Duwt de wijzers van de klokkentoren,
    een klein stukje vooruit.

    Een nieuwe cirkel begint.
    Geschiedenis wordt achtergelaten.
    Langzaam schrijft de wijzer de toekomst.
    Ritmisch tikkend,
    de tijd tegemoet.

  • Uitgewist

    Grijze hemel kijkt neer.
    over de bewaterde vlakten
    die de gronden
    Hebben uitgewist.

    Druppels snijden
    in het zachte vlees.
    Van de appels aan de appelboom.
    De oogst verpest.

    Kleine wolkjes,
    nevelsluier.
    Stijgt op en ontneemt de kleur.
    Die eerst de wereld sierde.

    Ik schilderde over het beschilderde doek.
    Met klodders watervaste, witte verf.
    Wis elk lijntje. Verwijder elk detail.
    En laat een witte leegte achter.

    Nieuw doek, voor een nieuwe wereld.
    De oude kan niet meer volstaan.
    Alles heeft een andere vorm,
    een andere kleur,
    en een ander bestaan.

    Nieuw fris, wit doek.
    Voor vernieuwende ideeën
    Die de wereld van nu.
    Eindelijk een bestemming geeft.

  • Wonder

    Een verstoten zonnestraal
    volgt zijn weg door het bladerdek.
    Schimmend, doch fel stralend.
    Reist hij naar beneden.

    Schampt verborgen zijdedraden.
    Maakt ze zichtbaar voor het oog.
    Maar eenmaal het licht gepasseerd.
    Zijn de draadjes weer verdwenen.

    Botst tegen de geurende bloemen,
    die kleuren gloeien,
    wonderen maken.
    De kostbare pracht der natuur.
    is door de zon verschenen.

    Krult de schaduwen op de vloer.
    Vlakt de aarde af.
    Het licht verdwijnt,
    het donker wacht,
    en laat het zand verstenen.

    De zon is weer verdwenen.
    Is door de nacht bestreden.
    Ik heb hem toen aanbeden.
    Maar nu behoort hij,
    tot het verleden

  • Zwaluwen

    Verweg, een verenkleed
    beweegt zich door de wind
    maakt cirkels rond de zon,
    totdat hij de halo vindt.

    Breekt de winterwolken door
    brengt lente over het land.
    Zorgt voor bloesems aan de bomen
    en jonge kiemen in het zand.

    Ze zweven zonder de grond te raken
    maar voelen toch dichtbij.
    Aaien soms de frisse halmen
    van het gras, in de groene wei.

    Ik zie ze met de winden spelen,
    totdat het koude naar ons komt
    en dan buigen de zwarte zwaluwen
    af…
    naar de verre horizon.

  • De macht van letters

    Zacht gekras, donkere lijnen,
    vormen zich,
    op papier.
    Laten letters snel verschijnen.
    precies op je eigen,
    unieke manier.

    Woorden, letters vormen zinnen.
    Lijnen, buigen een zacht figuur.
    De fantasie kan nu beginnen.
    Belevend,
    een persoonlijk avontuur.

    Niets is zo eigen als het schrijven
    Het is het handschrift van je hoofd.
    Die je altijd bij zal blijven.
    Ook als het spreken je verdoofd.

    Schrijven opent nieuwe wegen.
    Die normaal een blokkade zijn.
    Of worden vergeten,
    en verzwegen.
    Door verdriet, angst of pijn.

    Nu de woorden open liggen.
    In zachte lijnen,
    in het boek gekrast.
    kunnen ze eindelijk worden gelezen.
    en ontneemt je zo,
    de zware last.

  • Pendel

    Zwiepend, dansende gebaren.
    Beschrijft het cirkels op de grond.
    Kan de beweging niet verklaren.
    Hij draait, en draait maar rond.

    Weet zich niet op iets te richten.
    Lijkt verloren, geen eind, geen begin.
    Probeert het stilleven te ontwrichten.
    Keert zich tegen de orde in.

    Verjaagd de stilte in mijn hoofd.
    De rust, het leven, een razernij.
    Laat mij staren als verdoofd.
    Ontwaakt de onrust, verborgen in mij.

    Nergens wil de stilte spreken.
    Overal stijgt en beeft geluid.
    Die verdomde kwajongens streken.
    Jagen mij de wereld uit.

    Spanning, gefocuste gebaren.
    Beschrijft een puntje op de grond.
    Kan de stilte niet verklaren.
    de pendel zwijgt,
    draait niet meer rond.

  • Wimpels

    Het ratelt kanonnen en geweren.
    Flitsen banen zich door de lucht,
    gevuld met stofdeeltjes en zilte tranen.
    De wereld is op de vlucht.

    Mensen schreeuwen, wanhoopsdaden.
    Voor het leven, tegen geweld.
    Ontwijken bommen, gevallen muren.
    Wacht angstvallig op een held.

    De wolken gapen groot vermoeidheid.
    De zon breekt zijn stralen door.
    Duizend zieltjes volgen pluimen,
    Verlaten het armzalig decor

    Het land verdwijnt in zwarte nevel.
    De geluiden verstommen, de pijn verdwijnt.
    Het leven begint opnieuw hierboven,
    daar waar de zon voor altijd schijnt.

    Toch huilen ze veel regendruppels.
    Die de vlammen doen verzachten.
    Omarmen de mensen, daar, alleen.
    Die gebukt op vrede wachten.

    Plots verschijnt, boven rode daken.
    De witte vlag, tussen al het zwart.
    Die het geratel het zwijgen geeft,
    en de tijd een moment verstart.

    Schreeuwen gaan over in het lachen.
    Kleur van wimpels vult ons aard.
    Zon kijkt lachend over de mensen,
    wiens leven is gespaard.

    De kleur, die oorlog doet verjagen.
    Bevrijd ons allen, van angst en venijn.
    En laat ons eindelijk weer eens zien.
    Dat onze aarde, ook mooi kan zijn.

  • Jou laat ik mijn geraamte na

    Al sinds het eerste begin,
    begon je met vergeten.
    Waarschijnlijk zal je mijn naam,
    nu wel niet meer weten.

    Je wist me altijd te vinden.
    Als je eens geld nodig had.
    Dan was je mijn geliefde.
    Je ‘’aanwinst’’ die je nooit vergat.

    Maar wanneer je hand was volgegooid
    Liet je de mijne gaan
    Deed je me zweven door de leegte.
    Ging je bij mij vandaan.

    Nu ik mijn leven moet verdelen.
    Laat ik jou mijn geraamte na.
    Leer maar met mij te leven.
    Als ik naar de hemel ga.

    En de liefde die voor jou bestemd was.
    Heeft een ander nu geërfd.
    Want de herinnering aan jou.
    Is hetgeen wat met mij sterft.

  • Gekrekel

    Hups, daar spring ik heen en weer.
    Elke keer.
    Heen en weer.

    En dan tsjilp ik nog keer.
    Over en weer.
    Stop een keer!

    Laat ik lentekriebels komen.
    Gebladerde bomen
    Laat maar komen.

    Kijk de beekjes toch eens stromen.
    Kijk ze komen.
    Stop met dromen!

    Let eens op, ik doe m’n best.
    Slaap niet door,
    kom uit je nest.

    Elk jaar zing ik mijn lied.
    Winterverdriet,
    Dat moet ik niet.

    Vele jaren in het verschiet.
    Zingen doe ik.
    Zwijgen niet.

  • Mijn hoofd is mijn handschrift

    Velen schrijven op papier.
    Creëren hun creaties van het hier,
    en nu, vereeuwigd op perkament.
    Waaraan je de wereld van hen herkent.

    Bij mij gaat echter wel wat mis.
    Want als ik me het niet vergis,
    schrijft mijn hoofd mijn verhalen.
    Zonder ze op papier te vertalen.

    Het lijkt moeilijk te doorgronden
    Want ik ben niet verbonden
    Aan potloden, gummen en pennen,
    waaraan men me kan herkennen.

    Het schrift ligt in mijn hart verscholen.
    Daar waar ik niet kan worden bestolen,
    van mijn spinsels en mijn leven.
    Die ik nu heb vrijgegeven.

    Mijn handschrift schuilt,
    in de gedachten die
    achter mijn verhalen,
    voor jouw ogen,
    open liggen.

  • Eromheen geleefd

    Dat is al wat restte
    Een put verborgen in de grond
    Slechts enkele brakke stenen.
    Die ik gisteren vond.

    Ooit heeft er een dorp gestaan.
    Hebben mensen er omheen geleefd.
    Voetstappen hebben er gelopen.
    Vele avonturen beleeft.

    Vergeten zijn de huizen.
    De granieten plaveien,
    van de kronkelende straten
    omhuld met zware keien.

    Alleen woorden zijn nog over,
    verdwaalde verhalen in het hoofd.
    Gedichten van het verleden.
    Waarvan het kaarsje langzaam dooft.

    Er zijn slechts vlagen over.
    Van de historie, waar ik,
    jaren lang,
    lang geleden.
    Omheen heb geleefd.

    Vervlogen leven,
    verdwenen bestaan.
    Wat zijn die stenen in de grond.
    Waar,
    komen ze vandaan?

  • Hij keek alleen naar schaduwen

    Hij kijkt alleen naar schaduwen.
    Wanneer mensen hem passeren.
    Wil hij ogen weren
    Hij kent alleen de schaduwen,
    op de grond.

    Hij kijkt alleen naar mosrandjes.
    Die tussen tegels groeien
    Hij wil zich niet bemoeien
    Met de mensen om zich heen

    Hij wil alleen maar kleiner lijken.
    In de zwarte grond verdwijnen
    Alleen liggen wegkwijnen.
    In een hoekje,
    in de goot.

    De wereld is te zwaar voor hem.
    De lucht, te groot, vervuild
    Het drukt hem tegen de aarde aan.
    Waardoor hij niet meer wil bestaan.
    De gekte in zijn hoofd.

    Ik vond hem in de schaduwen.
    Een hoekje in de goot.
    De mossen die hij aaide.
    Terwijl de wind hard laaide,
    met een lach op zijn gezicht.

    Nu kijkt hij naar de mensen
    Die onder hem bewegen.
    Niet meer bang en verlegen.
    Omdat hij groter lijkt.

    Lachend, stralend, gelukwensen.
    Naar de wereld en de mensen.
    Voort het eerst durft hij te zien.
    Van het moois dat misschien.
    Altijd al voor hem lag.

    Maar…
    hij keek alleen naar schaduwen.

  • Tuintje geharkt

    Gestoft en geharkt.
    Bloempjes in de perken.
    Door en door hard werken.
    In mijn tuintje aan de straat.

    Schop door de mulle aarde.
    Droog van de brandende zon.
    Weggewaaid van het gazon.
    Maar u weer op zijn plek.

    Genietend van mijn eigen tuintje.
    Sta ik voor het raam.
    Daar zie ik moeizaam aan.
    Hoe de regen naar beneden valt.

    Kilo’s zware waterdruppels.
    Snijden door de takken heen,
    laten het tuintje moederziel alleen
    bevend in het koude water.

    Putten, gaten in de grond.
    Knoppen, bloemen afgeknapt.
    Het gras lijkt nu net vertrapt.
    En ik had het net geharkt!

    Maar tussen de dorre takken.
    Groeit een plantje , zijn weg vrij.
    Straalt zijn kleuren, lachend naar mij.
    Slokt het kostbare water op.

    Genietend van mijn eigen tuintje.
    Sta ik lachend voor het raam.
    En kijk ik tevreden aan.
    Hoe goed ik mijn werk, in mijn tuintje,
    heb gedaan.

  • Bestaansminimum

    Duistere inslag
    bewolkte de vlakte
    zon had zich afgekeerd
    wind gevlucht

    dorre korrels waterloos
    flora en fauna
    nagenoeg extinct

    in die dagen
    liep ook ik
    verward kringelend
    om mijzelf de anderen
    allemaal richtingloos
    elkaar niet aanrakend
    open hersenpannen
    waaruit gelepeld werd

    de verstarde blikken,
    ·kruisten elkaar
    aangetrokken door
    een cirkel
    beschreven in het gras

    starend, zonder te zien
    struinde ik, in vaste pas
    volgend, geluiden van beneden
    die verloren zielen lokken

    plots werd het stil
    de cirkel
    zoog alle geluid
    implodeerde
    dwars door de korst

    allen bewegingloos
    de laatste mus stierf
    de laatste halm verdorde
    het gat werd donkerder
    dieper mesmeriserender

    nog weerstand

    vergeten waar de wereld is
    hoog en laag verdwenen
    geen begin, en geen eind
    zo boven, zo beneden

    de aarde gaapte zielenrust
    ik lonkte naar de scherpe rand
    zet mijn pas, de grond verdwijnt
    alleen de lucht is me bevriend

    diep recht
    naar daar
    beneden
    steeds sneller

    duizeliger, sneller.
    sneller, donkerder
    sneller…

    ik voelde mij dunner worden
    doorzichtig,
    en sneller

    Tot het juiste moment.
    Dat ik de snelheid vergat.
    En de bodem,
    mijn val
    brak…

    | Kettingdicht met Pastuiven Verkwil

  • Dust

    Zevenduizend stofdeeltjes,
    Gewichtloos zwevend
    Door het pad van de wind.

    Volgen hun weg
    Om de bestemming te vinden,
    op naar het wereldse geluk.

    Waaierend door berg en dal.
    Vliegen door wind en zilver
    Op naar de dageraad.

    Volgen de zachte muziek.
    En de stroom van vallende bladeren.
    Terug naar zijn huis

    Waar het stof licht zal scheppen.
    En de wereld zal hervormen.
    Tot een prachtig ideaal
    waar mens en dier
    zijn thuis vind.

  • De Eik

    Seizoenen zijn voorbij gegaan.
    Hebben de bladeren meegenomen.
    Zorgen voor knoppen aan de takken.
    En de bladeren aan de bomen.

    Jij staat daar, honderden jaren.
    Hebt weer en wind doorstaan.
    De zware wereld heb je gedragen.
    Bent door alle tijden gegaan.

    De liefde is in je gekerfd.
    Om het ‘‘voor eeuwig’’ te maken.
    De kus heb je vaak gezien.
    Zal jij altijd bewaken.

    Schriften zijn onder jou gelezen.
    Wereld-ideeën zijn er bedacht.
    En wanneer het nodig was.
    Gaf jij mensen altijd kracht.

    Nee, ik laat je nu niet vallen.
    De bijl zal je stam niet raken.
    Al moet ik hier jaren zitten.
    Ik zal altijd over je waken.

    Ik zal blijven, honderd jaren.
    Zal weer en wind doorstaan.
    Ik zal de zware wereld dragen.
    Ga niet bij je vandaan.

    Want jij, prachtige eik.
    Jij bent, en blijft mijn vriend.
    Liefde ga ik aan jou geven.
    Want dat heb je wel verdiend.

  • De gouden vogel

    Wereld ligt onder nevelen.
    Bedwelmt van de koude nacht.
    De maan is al verdwenen,
    heeft zijn taak allang volbracht.

    Er vliegen hordes zwarte kraaien.
    Cirkelend boven een duivenveld
    Waar ik ’s ochtends altijd zit.
    En slechts eentje is er wit.

    Het zwart zet snel de aanval in.
    De duiven vliegen op.
    De kleine witte, niet zo snel.
    Dus de kraai pakt hem vel.
    Beiden vallen omlaag.

    Door de schrik sta ik op.
    Kan mijn tranen niet bedwingen.
    De nevel onthoudt mijn zicht.
    Dan opeens wordt het licht.
    De stralen breken de nacht.

    De nevelsluier op het gras.
    Word een gordijn van goud.
    En de kleine witte duif.
    Duikt op en vliegt de hemel in.

    Zijn verenkleed straalt de zon.
    Goud en brons, slechts schimmen zwart.
    De gouden vogel in de lucht.
    Geeft het leven een nieuwe start.

    Wereld ligt onder ochtenddauw
    Bedwelmt van de koude nacht.
    De witte duif is al verdwenen.
    Hij heeft zijn taak volbracht.

  • Dagboek van de bomen

    Wanneer de wind door de bladeren raast.
    En de takken naar elkaar buigen.
    Gaat een verhaal van boom tot boom.

    Ze zien alles wat gaat komen.
    En ze weten wat is gebeurd.
    Ze beleven onze dromen.
    Wanneer men lacht, of wanneer men treurt.

    Wanneer de wind door de takken raast.
    En de regen op de grond tikt.
    Schrijven bomen hun verhaal.

    Filosoferend over de aarde.
    Vertellend, het leven van de mens.
    Alles heeft zijn eigen waarde.
    Misschien vervullen ze je wens.

    Wanneer de wind langs de wortels raast.
    En het zand door de lucht verspreid.
    Kan de mens het dagboek lezen.

    Dan ontglipt mij snel een traan.
    Vormt een lach op mijn gezicht.
    En dan voel ik mij voldaan.
    Na het lezen van dit gedicht.

    Wanneer de wind langs de bomen vaart.
    En ik loop door het bos.
    Bedank ik voor hun verhalen.
    Dat hun dagboek voor mij open stond.

  • Wanneer de zee in de hemel overgaat

    Wanneer de zee in de hemel overgaat.
    Varen kleine bootjes op het water.
    Met hun lantaarntjes in het donker.
    Kabbelen ze weg op zee.

    Ze varen verder tot het eind,
    waar de zee de hemel wordt.
    Hun lichtjes zullen blijven schijnen.
    fonkelend, verlichten ze de nacht.

    Alleen wist ik toen nog niet.
    Dat jij in het bootje zat.
    Met moeite de golven trotserend.
    Die leiden naar de hemel.

    Met al mijn kracht zal ik zwemmen.
    door de woeste golven van verdriet.
    Tot ik bij je bootje ben.
    Om je de laatste kus te geven.

    Je hoeft nu niet meer te knokken.
    Om aan de vaste kade te blijven.
    Alleen nog rustig wachten.
    Tot je in de hemel bent.

    En elke nacht loop ik langs het strand.
    Turend in de zee vol lichtjes,
    tot ik jou gevonden heb.
    En weet dat je bij me bent.

    Voor oma.

  • Tak van de Kersenboom

    Als klein kind, zie ik je groeien.
    En ik groei met je mee.
    Mijn stam wordt sterker.
    Mijn bladeren taaier.
    Mijn wortels zet ik in de grond.

    Maar nu, voel ik me zo klein.
    M’n bladeren zijn slap geworden.
    De schors is van mijn lijf.
    En met jouw tak.
    Geef je me een draai om de oren.

    Je pakt me tussen je grote armen.
    Die mij liefdevol beschermen.
    Veilig tussen jouw warme bladeren.
    Waar ik weer kan groeien.
    Tot een grote kersenboom.

  • Verba Volant

    Woorden vliegen in de wind.
    Zoekend naar een luisterend oor.
    Iemand die me hoort, en zegt,
    dat hij luistert, en oprecht.

    De bestemming wordt niet gevonden.
    Dus schrijf ik ze op papier.
    Mijn woorden, die echt niemand kent.
    Schrijf ik neer op perkament.

    Ze vervliegen op den duur.
    Hebben niet het eeuwig leven.
    Maar een brief, die blijft bestaan.
    Ook al ben je van mij vandaan.

    Dus,  de bestemming wordt niet gevonden.
    Schrijf de woorden op papier.
    Ze blijven staan, tot jij herkent.
    Verba Volant,
    Scripta Manent.

  • Wachters van de regen

    Hij straalt stralen naar beneden.
    De warmte die alles verdord.
    Met volle glorie, stralend,
    de zon van bloedkoraal.

    Wachten op de wachters van de regen.
    Druppels die de dorst lessen.
    Met open mond, wachtend,
    op de druppels van diamant.

    Wollen wolken wikkelen samen.
    Maken schaduwen over het land.
    De prachtig witte, wolken,
    gemaakt van zacht katoen.

    Druppels druppen naar beneden.
    Brengen verfrissing om zich heen.
    Gezellig ritmisch, druppend.
    het koele water van glas.

    Welkom wachters van de regen,
    Druppels die mijn dorst lessen.
    Met open mond, genietend.
    van de druppels van diamant.

  • Eerste maandag

    Rustig, stil, de wind in de bomen.
    Vogels fluiten, hun dagelijks lied.
    Zonnige stralen, die door de wolken komen.
    T’is de dag van mijn dromen.

    Het geluid van de klokkentoren.
    Twaalf ritmische klanken.
    Die tot mijn leven behoren.
    Heeft zijn geluid niet verloren.

    En enkele minuten later.
    Een loeiend alarm door de straten.
    Een enorm hart geschater,
    van een viool met een kater.

    De geluiden zoeken hun pad.
    Beschermend over het land.
    Wegvliegende vogels omdat,
    ze het geluid ver hadden onderschat.

    Ik klamp mijn handen om mijn boek.
    Mijn ogen groot van de angst.
    De donderende vliegtuigen op zoek.
    Drijft me langzaam in de hoek.

    Ik zie de vlammen branden.
    De mensen schreeuwen,
    om de bommen die landen.
    Sta ik met lege handen.

    En enkele minuten later.
    Hoor ik de dag voorbij gaan.
    Langzaam, als kabbelend water.
    met het wegstromende geschater.

    Rustig stil, de wind in de bomen.
    Vogels fluiten, hun dagelijks lied.
    Zonnige stralen, die door de wolken komen.
    Terwijl ik van deze dag moet bekomen.

  • Waar de wil is, is de weg weg

    En daar zie ik het licht.
    Een ster aan de horizon.
    Een straal in mijn gezicht.
    Maar het licht ging uit.

    Ik wou zo graag.
    Mijn wil leek sterk.
    Maar het was vandaag.
    De weg is weg.

    Kon mij niet bewegen.
    Moleculen stonden stil.
    Ik kon er niet meer tegen.
    Alles, tegen mijn wil.

    En ik zag het graag.
    De wereld om mij heen.
    Maar het was vandaag.
    De weg is weg.

    Heb niet opgegeven.
    Mijn strijd voor mijn doel,
    om door te gaan met leven.
    Een nieuwe weg begint.

    En ik wil het graag.
    Ik zal weer kunnen zien.
    En het was vandaag.
    De weg leek weg.

    Maar was alleen verweg.
    En ik nam een omweg.
    Waar een wil is, IS een weg.

  • Monsieur Malalatete

    Ach, daar loopt hij weer.
    Met zijn hoofd tussen de krukken.
    Met zijn handen in het haar.
    De vloer weg te drukken.

    Gister zag ik hem rennen
    Hij zag de spijkers niet.
    Een gil door de straten.
    Wat een zielepiet.

    Vervolgens in de stad.
    Zijn voet totaal verdoofd.
    Vliegt stil uit het raam.
    Een bloempot op zijn hoofd.

    En later in het ziekenhuis.
    Hij moest weer eens een spuit.
    Vloog hij, na de operatie.
    Pijlsnel het ziekenhuis uit.

    Ach, daar loopt hij weer.
    Met zijn hoofd tussen de krukken.
    Met zijn handen in het haar.
    De vloer weg te drukken.

    Een zalfje doet wel wonderen.
    Met een pleister op de wond.
    Maar niet met de tube ketchup.
    Dat is echt niet meer gezond.

    Dan maar een slokje water.
    Met een pilletje voor de keel.
    Doe eens een beetje rustig aan.
    Tien is echt te veel.

    Ach, daar loopt hij weer.
    Met zijn hoofd tussen de krukken.
    Met zijn handen in het haar.
    De vloer weg te drukken.

    En ik, ik kan het weten.
    Een spinnetje op de grond
    Waar jij zo bang voor bent.
    Wat leuk dat ik je vond.

    En Ach, daar loopt hij weer.
    Met zijn hoofd tussen de krukken.
    Met zijn handen in het haar.
    De vloer weg te drukken.

    En dat allemaal, voor mij.
    Monsieur Malalatete.

  • Before the Rain

    Vliegend over het groene land.
    De zon maakt schaduwen op de grond.
    Mijn voeten in het warme zand.
    Heuvels op de achtergrond.

    Gras buigt zachtjes in de wind.
    Bladeren volgen de stroom.
    Loop ik door het labyrint.
    Houdt ik mezelf in toom.

    Bedrukte lucht vult de aarde
    Donkere wolken omarmen mijn ziel.
    En de regen die ’het’ bewaarde.
    Die mijn lichaam binnen viel.

    De hemel stortte zijn verdriet.
    En liet het los op mij.
    Het regende dat het giet.
    De donder is nabij.

    Voor de regen was er leven.
    Voor de regen was er zon.
    En nu zit ik hier te beven.
    Geen zicht meer aan de horizon.

    Vliegend over het donkere land.
    De regen maakt putten in de grond.
    Mijn voeten in het modderzand.
    Buien op de achtergrond.

    Bomen breken in de wind.
    Bladeren zoeven in de stroom.
    Dan loop ik door het labyrint.
    Houdt ik mezelf in toom??

    Dat was voor de regen.

  • De gevallen kaars

    Je stond daar op de tafel.
    Met je warme gouden vlam.
    En kleine drupjes marmer.
    Vallend op het blinkend zilver.

    Maar daar kwam de kinderhand.
    Nieuwsgierig naar de warmte.
    En de prachtige marmer drupjes.
    Op het glimmend, blinkend zilver.

    Tranen huilde het kind.
    En jij viel van de tafel.
    Met kleine drupjes marmer.
    Vallend op de houten vloer.

    Gouden vlammen verspreiden.
    Om het bang en huilend kind.
    En machteloos ligt de kaars,
    met marmeren tranen huilend.

    De gouden warmte vangt het kind.
    Kan zicht niet meer verzetten.
    De tranen stoppen, het huilend dempt.
    In de schaduw van de vlammen.

    Plots veel zilveren diamanten.
    In hun gevecht tegen het goud.
    De warmte laat zich snel verkoelen.
    Laat los, de kinderhand.

    En jij stond op de tafel.
    Met je warme gouden vlam.
    En kleine drupjes marmer.
    Vallend op het blinkend zilver.

    Maar daar kwam de kinderhand.
    Nieuwsgierig naar de warmte.
    En de prachtig marmer tranen,
    huilend om het kleine kind.

  • De vuurtoren

    De felle heldere lamp.
    Schijnt oneindig in de mist.
    Zie ik daar een kleine boot.
    Of heb ik me vergist?

    Daar drijft in kalme golven.
    Een roeiboot zonder spaan.
    En met geen enkel geluid.
    Komt hij bij de kade aan.

    Ik ga zitten in de boot.
    En kabbel weg op zee.
    Maar het schijnsel van het licht.
    Neem ik altijd met me mee.

    En de lamp op het water.
    Schijnt oneindig over mij.
    En ik in mijn kleine bootje.
    Waak met zorg over het tij.

    En wanneer de mist gaan komen.
    Vaart een roeiboot zonder spaan.
    Wakend over alle zeeën.
    En ik,
    ben meegegaan.

  • De laatste roos

    Een rode gloed.
    Op het eikenhout.
    Zachte groene bladeren.
    Lijken zo vertrouwd.

    Glinsterend dauw.
    Diamanten in het licht.
    Doorns als zilveren naalden.
    Schoonheid is zijn plicht.

    De laatste rode roos.
    Die ik voor jou bewaarde.
    Zal voor altijd met jou meegaan.
    Samen in de zachte aarde.

    Want daar op het eikenhout.
    Een rode gloed in het dauw.
    De laatste rode roos.
    Is voor altijd van jou.

  • Mea Culpa

    Het regent,
    wanneer de zon moet schijnen.
    De wind waait,
    wanneer het geruisloos moet zijn.
    De sterren vallen,
    wanneer ze aan de hemel moeten staan.

    Mea Culpa,
    Mea Culpa,
    Mea maxima culpa.

    Jij huilt,
    terwijl je moet lachen.
    Men zit,
    terwijl er gelopen moet worden.
    Ik treur,
    terwijl ik door moet gaan.

    Mea Culpa,
    Mea Culpa,
    Mea maxima culpa.

    De zon schijnt,
    wanneer het moet regenen.
    Het is stil,
    terwijl de bladeren moeten ritselen.
    De sterren staan,
    maar ze moeten vallen, voor mij.

    Mea Culpa,
    Mea Culpa,
    Mea maxima, maxima,  culpa.

  • Toren van de Winden

    Zachtjes waait de Oosterbries.
    Met Eurus in zijn armen.
    Kruist Zephyros op zijn pad.
    Om het land weer op te warmen.

    Een warme dag is aangebroken.
    Wanneer Eurus zich ontfermt.
    Over de pas gegroeide bomen.
    Die hij liefdevol beschermd.

    Laat de wolken snel verdwijnen,
    die plaats maken voor de zon.
    Met zijn warme stralen schijnend.
    een gloed over het gazon.

    Maar na de laatste zonnestralen.
    Neemt Boreas de warmte mee.
    Om  ons verfrissing te gaan geven.
    Van de heerlijk koele zee.

    En wanneer  Notus gaat spelen.
    Bij het schijnsel van de maan.
    Zal het niet meer heel lang duren.
    Daar komt Eurus al weer aan.

    Zachtjes waait de Oosterbries.
    Met de zon in zijn armen.
    Kruist de wereld op zijn pad.
    Om het land weer op te warmen.

    Een warme dag is aangebroken.
    Wanneer de wind zich weer ontfermt.
    Over alles wat is geboren.
    Die hij liefdevol beschermd.

  • Toren van Babel

    Steen voor steen leg ik,
    Meter bij meter verzet ik.
    Hoger, hoger moet het worden.
    Zon moet schijnen boven mijn toren.

    God, god wil ik voelen.
    Hem, hem wil ik bereiken.
    Verder, verder moet ik reiken.
    Om te klimmen naar het paradijs.

    Groot, groter moet het worden.
    Zwaar, zwaarder zal het zijn.
    Breken, zal het in duizend stukken.
    Mijn mooie toren, is maar schijn.

  • De brief

    Zacht, maar met trillende handen,
    rol ik het perkament open.
    Bang voor wat er in staat.
    Kan alleen nog maar hopen.

    Letters staren mij aan.
    Vertellen wat geen geheim is gebleven.
    Laten mijn toekomst los.
    Ze beslissen nu mijn leven.

    De woorden komen als donderslag.
    De kleuren lijken te verdwijnen.
    Mijn lichaam heeft zijn kracht verloren.
    Zal hier nu eeuwig wegkwijnen.

    Tranen ontsnappen uit mijn ogen.
    Maar lossen de woorden niet op.
    Het wachten dat zo lang duurde,
    komt nu eindelijk tot een stop.

    Maar toch, door de tranen heen.
    Een glimlach, maar heel even.
    Jij bent er nog, dacht ik.
    JIJ, bent nog in leven.

  • Angel

    Op de wegen van de wind.
    Vlieg jij over duizend weiden.
    Om uiteindelijk ergens te komen,
    En daar je bedje te spreiden.

    Vliegt met zilveren vleugels naar mij toe.
    Zoiets prachtigs en zo normaal.
    Wil je pakken en mee nemen.
    Jij bent mijn prachtig zonnestraal.

    Maar wanneer ik naar jou reik.
    Wordt je boos, en steekt zomaar,
    Jou scherpe angel naar mij uit.
    Waarom doe je toch zo naar.

    Plots val je voor mij, op de grond.
    Je vleugels verliezen kracht.
    Ik sta voor je en ik denk,
    Ik heb je omgebracht.

    Nu zul je daar eeuwig vliegen.
    Over de wegen van de wind.
    Om uiteindelijk ergens te komen.
    Je bent een Angel mijn kind.

  • Mais, qu’est que c’est?

    Wat is dat, daar in je hand.
    Is het een cadeau voor mij,
    of mag ik het niet weten.
    Laat je het niet vrij.

    Waarom mag ik het niet weten.
    Is het dan zo speciaal.
    Kan ik niet even kijken.
    Dat lijkt me toch normaal.

    Kom laat me even kijken.
    Ik vertel het echt niet door.
    Je kunt mij toch vertrouwen.
    Ik ben er nu klaar voor.

    Bedankt voor het vertrouwen.
    Ben blij dat ik het weet.
    In jou hand, de herinnering.
    Dat jij me nooit vergeet.

  • Het is jij

    Het is het blauw van de hemel.
    Het is de gele zonnestraal.
    Het is het groen van de bomen.
    Het is het bruin van het zand.
    Het is mijn leven vandaag.

    Het is het rood van de rozen.
    Het is het wit van de wolken.
    Het is het paars van het kleed.
    Het is roze van jouw jurk.
    Het is mijn leven vandaag.

    Het is ‘’jij’’,
    In je roze jurk,
    met een rode roos in je haar.
    op het paarse zachte kleed,
    spelend met het bruine zand en
    kijkend naar de groene boomtoppen,
    die reiken naar de witte wolken in de blauwe hemel.
    De gele zonnestralen op je gezicht.
    Het is mijn leven vandaag.
    Mijn leven, die de dag kleurt.

  • Dauw op de bladeren

    ‘s Middags staan de bomen.
    Ver, hoog, boven de zon.
    Zien alles wat gaat komen.
    De zon op de bladeren.

    ’s Avonds maken bomen,
    een schim in de lucht.
    Wanneer de mensen dromen.
    De maan op de bladeren.

    ’s Ochtends kijken bomen.
    Met tranen van verdriet.
    Zien wat er is gekomen.
    De dauw op de bladeren.

  • Het vlot van Medusa

    Het zachte, blauwe water,
    zoals het vroeger was.
    Is door donderslag getroffen.
    Veranderd in een dode plas.

    Vriend, ik wil je niet verliezen.
    Jij,  die de vrede nog uitstraalt.
    Golven zullen je niet krijgen.
    Ze hebben deze dag gefaald.

    Plots komt een muur van glas.
    Bedekt jouw lichaam in een waas.
    Met de kracht, die aan je trekt.
    Verlies je, met luid geraas.

    Met lege handen blijf ik achter.
    Kijk naar het schuim op de zee.
    Het laatste kleine beetje vrede,
    neemt het water met zich mee.

    Op het punt  mijn ogen te sluiten.
    Achter mij een hard geschreeuw.
    Er word gezwaaid met rode vlaggen.
    Voor mij duurde het een eeuw.

    En daar achter de horizon.
    Zie ik jou,  je komt naar mij.
    Neemt me mee in jou armen.
    Het woeste water is voorbij.

    Je lichaam heb ik  daar gelaten.
    Maar je ziel heeft mij bevrijd.
    Uit de handen van Medusa.
    Heb ik overwonnen, de strijd.

  • Hoe kan ik schrijven

    Hoe kan ik schrijven.
    Nu ik weet dat er mensen sterven.
    Nu ik weet dat mensen leiden.
    Nu ik weet dat onschuldige mensen
    hemelen, voor een ander.

    Ieder woord dat ik schrijf.
    Ieder rijm die ik vorm.
    Ieder verhaal dat in me opkomt.
    Buiten in de koude wereld,
    blijven mensen lijden.

    Hoe kan ik dichten.
    Nu ik weet dat er oorlog is.
    Nu ik weet dat er wordt gehuild.
    Nu ik weet dat het geratel van geweren
    doorgaat, zonder een stop.

    Ieder woord dat ik schrijf.
    Ieder rijm die ik vorm.
    Ieder verhaal dat in me opkomt.
    Buiten in de koude wereld,
    blijven mensen lijden.

    Hoe kan ik lezen.
    Nu ik weet dat mensen ziek worden.
    Nu ik weet dat er pijn is.
    Nu ik weet dat de ziekte
    verspreidt, en duizend mensen grijpt.

    Ieder woord dat ik schrijf.
    Ieder rijm die ik vorm.
    Ieder verhaal dat in me opkomt.
    Buiten in de koude wereld,
    blijven mensen lijden.

    Maar schrijven blijf ik doen.
    Voor alle mensen, buiten
    in de koude wereld
    een kaarsje bieden.
    Dat ik…
    aan ze denk.

  • Jij was…

    Nooit geweten dat jij zo was.
    Datgene was, dat ik niet wist.
    Nooit gedacht, dat jij hetzelfde was.
    Maar toch anders dan de rest.

    Altijd gezien wat het slechte was.
    En het goede, heb ik niet gezien.
    Altijd geweten dat je anders was.
    Maar toch hetzelfde, als de mede mens.

    Steeds denk ik, dat ik beter was.
    En jij daar, onderaan, de ladder stond.
    Steeds gewacht tot je bij me kwam.
    Want zonder jou, was ik er…
    niet geweest.

  • De weg van de regen

    Druppel, druppel, druppel.
    Een wolk is opengebroken.
    Laat zijn glazen druppels vrij.
    Druppels van hoog hierboven.
    Reizen langzaam op, naar mij.

    Ze nemen een bericht mee.
    Een bericht van hoog in de lucht.
    Waar alleen wolken kunnen komen.
    Nemen het mee, op hun vlucht.

    Ze dwalen langs rijen vogels.
    Langs bergen, en toppen van bomen.
    Langs huizen, ramen en deuren.
    Om uiteindelijk bij mij te komen.

    Hij valt voor mij op de grond.
    Spat in spetters uit elkaar.
    Verdwijnt in de donkere aarde.
    En ik, ik kijk ernaar.

    Een plantje komt vlug naar boven.
    Buigt zachtjes in de wind.
    En verteld het bericht van boven.
    Dat het begin nu echt begint.

  • Trouw

    Ik heb vaak naar je gekeken
    naar je kleine neus, zachte lippen
    lachen altijd als je mij hoort
    dat ik eraan kom en bij je kom
    jij ook naar mij, samen
    zijn we altijd
    bij elkaar.

    Je ligt bij me in bed, onder de sterren
    stralen in de heldere lucht
    waar jij het liefste bent
    buiten, omringd met bomen
    en takken tegen het raam
    naast mij, jij en ik
    zijn altijd samen
    trouw.

  • Samen in Equinox

    Als we samen op een lijn zitten.
    Dan kan ik jou pas goed zien.
    Eindelijk niet op elkaar vitten.
    Samen worden we een, misschien.

    Ik kijk je nu, strak, recht aan.
    Heb je van alle kanten aanschouwd.
    Ben van Oost naar West gegaan.
    Weet nu, dat je van me houdt.

    Nu we samen in Equinox zijn.
    Begint alles in ons te bloeien.
    Vanaf nu hebben we het fijn.
    Ik voel de liefde gewoon gloeien.

    Het begin is nu begonnen.
    We moeten harde tijden doorstaan.
    Maar zoals we altijd overwonnen.
    Zullen we ons daar ook door slaan.

  • Kijk, het sneeuwt

    Kijk daar, die witte vlokken.
    Donzig, pluizig, van zacht katoen.
    Daar zal het niet van onderdoen.
    Lijken warm, als dikke sokken.

    Ik steek mijn arm uit het raam.
    Vang de witte wonderen op.
    De ruiten die plots beslaan.
    Sneeuwt nog harder, zonder stop.

    Ik sluit de ramen maar weer snel.
    De kou dringt snel naar binnen.
    Kruip weer lekker onder het linnen.
    En kijk naar het prachtig sneeuw-spel.

    Ik zou maar wat graag naar buiten willen.
    Lekker wandelen in het witte landschap.
    Maar dan begin ik meteen te trillen.
    Dus wens me alsjeblieft wat beterschap.

    Ik kijk naar de vlokken op mijn arm.
    Die nu alleen nog druppels zijn.
    Nu voelt het niet meer zacht en fijn.
    En het is ook zeker niet warm.

    Zo voel ik mij ook in deze wereld.
    Als een sneeuwvlok, die zichzelf niet is.
    Die door de warmte heel vlug smelt.
    En de sneeuw is geschiedenis.

    Maar kijk daar, die witte vlokken.
    Donzig, pluizig, van zacht katoen.
    Daar zal het niet van onderdoen.
    Lijken warm, als dikke sokken.

  • Sloot!

    Mijn benen bungelen,
    langs de kant van de sloot.
    Met Kikvors op het water.
    En vissen kleuren rood.

    Ik kijk naar een klein takje.
    Die langzaam, langs de stroom.
    Door de Kikvors op het water.
    Net gevallen van een boom.

    Hij stroomt verder tot het eind.
    Gaat door een rooster in een gat.
    Ik weet niet hoe diep hij is.
    Gelukkig weet echt niemand dat.

    Daar komt een groter takje.
    Die langzaam, langs de stroom.
    Door de Kikvors op het water.
    Net gevallen van een boom.

    Het stroomt verder tot het eind.
    Maar in het gat gaat hij niet.
    Hij is groter dan het rooster.
    Blijft voor eeuwig in dit gebied.

    Maar waar zal dat takje vallen.
    In een gat, ondenkbaar diep.
    En misschien blijft hij ook wel steken.
    Zoals het met die ander verliep.

    Ik weet niet hoelang het zal duren.
    Maar ze zullen elkaar weer tegenkomen
    Misschien in hele kleine stukjes.
    Maar toch, ze komen van dezelfde bomen.

  • Druppels zijn net Diamanten

    Op een klein groen bankje,
    In de tuin van dakpannen.
    Aan een prachtig grote fontein.
    Waar ik mee heerlijk kan ontspannen.
    Kijk naar de stralen in de lucht.
    Lijken net van helder glas,
    en de druppels van diamant.
    Waaraan ik mij steeds verzucht.

    De wereld achter de druppel.
    Is anders dan waar ik ben.
    Lijkt daar alles te vervormen.
    Tot een ideaal die alleen ik ken.
    Wat zou ik daar graag heen willen.
    In de druppel, anders dan hier.
    Alles dat steeds anders is.
    Waar het leven niet zal trillen.

    Ik reik mijn hand naar de druppel.
    En open hem als een hek.
    Waar de druppel zacht op valt.
    Alles komt nu op zijn plek.
    Maar na enig tijdje wachten.
    Is mijn ideaal weggevloeid.
    En zie ik de wereld alleen nog maar.
    Hoe het is, zoals we dachten.

    Het beeld is weggevaagd.
    Laat alleen de koelte achter.
    Het bedrog van de diamant.
    Daar leek de wereld veel zachter.
    Mijn wensen zijn voorgoed verbrandt.
    Ik zal ze nooit meer zien.
    Want iedere druppel lijkt van glas.
    Maar is nooit een diamant.

  • Dagboek van Amytes

    Ik loop over marmeren stenen.
    Naar de balustrade aan de rivier.
    Nog steeds is het niet verdwenen.
    Mijn mooie tuin vol plezier.
    Dank je mijn Nebukadnezar.
    Voor het planten van het zaad.
    Met hier een wilg en daar een spar.
    Stilletjes hangend, aan de Eufraat.

    Het doet me weer denken aan thuis.
    Met bergen en prachtige velden.
    Dat is voor altijd mijn huis.
    Die vind je niet snel, maar zelden.
    En daarom zeg ik tot de zon.
    Tot de wolken en het donderen.
    Mijn prachtige tuin in Babylon.
    Een der zeven wonderen.

  • Toekomst

    De bladeren die altijd vallen.
    Met groene randen omlijnt.
    Vallen wanneer de zon schijnt.
    Of wanneer hij plots verdwijnt,
    en hij een stap terug deint.
    Of in grootte sterk verkleind.
    Maar de bladeren blijven vallen.

    De druppels zullen steeds de grond raken.
    Ook al is het prachtig weer.
    En regent het nooit een keer.
    Hangt er een rare sfeer.
    En zit de lucht vol teer en smeer.
    Maar ze vallen altijd neer.
    Ze zullen de grond steeds raken.

    De wind zal altijd zachtjes waaien.
    Ook al is er nergens lucht.
    Komt uit niemand meer een zucht.
    Gaat de tijd in vogelvlucht.
    Is de aarde een gehucht.
    Is iedereen besmeurd met hebzucht.
    Altijd zal de zachte wind waaien.

    En de vlammen zullen branden.
    Ook al hebben ze geen kleur.
    Heeft de wind een slecht humeur.
    Is de wereld groot gezeur.
    En iedereen in mineur.
    Is er nergens meer een geur.
    Branden zullen duizend vlammen.

  • Levensstroom

    Mijn ziel zit in de eeuwige bron.
    Diep in de bossen verscholen.
    Met alleen de natuur en zon.
    Waar wij eeuwig zullen dolen.

    Mijn tijd is nu gekomen.
    Kleine golfjes komen samen.
    Die de bron laat overstromen.
    Mijn rivier zijn weg zal banen.

    Ik begin nu met mijn leven.
    In een vlak landschap van rust.
    Waar de zon mij ”goed” zal geven.
    En de wind mij zachtjes sust.

    Maar nu begint het ongelijk te worden.
    Er vallen langzaam gaten in.
    Dat zal mijn rivier niet bevord’ren.
    Maar toch heb ik nog mijn zin.

    Plots voel ik mij steeds lichter.
    De druppels vliegen in de lucht.
    En steeds sneller kom ik dichter,
    bij de grond in vogelvlucht.

    Ik weet nu niet hieruit te komen.
    Maar iemand biedt mij zijn hand.
    Een persoon van mijn mooiste dromen.
    Schept weg het zware zand.

    Steeds stroom ik met pieken en dalen.
    Waar veel voor mij zijn gegaan.
    Maar ik weet, ik zal nooit falen.
    Ik zal er nooit alleen voor staan.

    Plots zie ik, in de bossen verscholen.
    Met alleen natuur en zon.
    Waar ik eeuwig zal blijven dolen.
    Weer terug in de eeuwige bron.

  • Het zwarte zand

    Ik pak het zand in mijn hand.
    Steek het hoog in de lucht.
    Spreek woorden naar de hemel.
    Hou het bij mijn gezicht.

    Uit mijn oog rolt een traan,
    over het zwarte zand.
    Dat nooit meer vergeet,
    dat ik het heb gehad.

    Ik maak mijn handen open.
    Met veel moeite, maar toch.
    En laat de wind het zwarte zand.
    Meenemen naar waar niemand weet.

    De wind speelt rustig.
    Maakt mooie vormen in de lucht.
    Tot de laatste kleine korreltjes.
    Verdwenen zijn voor het oog.

    Ik vouw mijn handen in elkaar.
    Spreek nog vlug een mooi gebed.
    Het zwarte zand dat ik nooit vergeet.
    Ik vergeet jou nooit meer, Diana.

    | Voor Diana

  • Eeuwige pech

    Ik ben vandaag weer opgestaan.
    Trap meteen in een banaan.
    Gleed dus met mijn benen uit,
    Over de vloer, recht op mijn stuit.
    Daarna maar ontbijt genomen.
    Spek met eieren en wat bonen.
    Kreeg ik daarvan een grote spijt.
    Want de bonen waren over tijd.
    Het bad dan maar laten vullen.
    Met mijn bad-eendje om tegen te lullen.
    Was veel te druk met het praten.
    Heb per ongeluk de kraan aan gelaten.
    Weer te laat van huis vertrekken.
    Bots ik ook nog tegen de rekken.
    Dacht ik even, dit kan goed gaan.
    Heb ik nog mijn pyjama aan.
    Dan toch maar thuis blijven, deze pech.
    Die gaat nu vast nooit meer weg.
    Durf niet te douchen of te eten.
    Wil dit gebeuren wel vergeten.
    Loop met stappen O zo groot.
    Naar het raam, al ben ik bloot.
    Gelukkig was dit een verzinsel.
    Een normale hersenspinsel.

  • Verweg van…

    Langs de bossen.
    Over de zeeën.
    Naast de wolken.
    En boven de zon.

    Onder de aarde.
    Voor de steden.
    Achter de weiden.
    In mijn ballon.

    Rechts van het leven.
    Middenin de regen.
    Links van het vallen.
    Op het balkon.

    Dichtbij de mensen.
    Die mijn liefde delen.
    Ver weg van mijn leven.
    Die ooit eens begon.

  • Guernica

    Lichtstralen door de kleine ramen.
    Guernica ontwaakt.
    Mensen door de stille straten.
    En de zon die niet kan laten,
    om een straaltje door te geven.

    t’is weer tijd voor een nieuwe dag.
    Weer tijd om iets te doen.
    Maar wat niet veel mensen weten.
    Is dat niemand zal vergeten.
    Dat deze dag er was.

    Wat is dat stipje in de lucht.
    Zal wel niets betekenen.
    Maar iedereen die kijkt ernaar.
    Vlucht snel weg voor het gevaar.
    Is nog niet geweken.

    Toch te laat.
    Een helder licht.
    Gevolgd door lange schreeuwen.
    Mijn ogen dicht.
    Om niet te zien.
    Wat de werkelijkheid ons brengt.

    Mijn ogen open.
    Ik moet bekijken,
    wat er allemaal is gebeurt.
    Dan snel ontwijken.
    Stukken in de lucht.
    En de grond bezaaid met lijken.

    Een vuurzee aan de horizon.
    De pijn begraaft mijn hart.
    De tranen vloeien en mijn gestalte
    Staat opeens totaal verstart.

    Ik loop verder,
    zonder bewegen.
    Moet vluchten voor het gevaar.
    Ik moet vechten,
    voor mijn leven.
    En naar toegaan,
    weet niet waar.

    Grijze lucht.
    En vogels vliegen.
    Zij weten wel waarheen te gaan.
    Maar mijn lichaam.
    Zal mij bedriegen.
    Zal voor altijd blijven staan.

    Naar de deur.
    Een nieuwe poort.
    Een wezenloze wereld.
    Ben niet alleen.
    En ik loop voort.
    Naar het onheil en geweld.

    De stap naar binnen,
    lijkt het grootste.
    De grootste stap ooit gezet.
    En met veel moeite.
    Ga ik verder.
    Als gevangen in een net.

    Kijk om mij heen.
    Mijn gedachten glijden.
    Dit is niet met mij gebeurt.
    Wat moet ik doen.
    Ik moet helpen.
    En dan mij helpen,
    op zijn beurt.

    Wat een gezelschap.
    Schreeuwende mensen.
    En veel van hen, lijden pijn
    Met afgehakte ledematen.
    Dat is niet wat ik zal zijn.

    Ik moet zoeken.
    Naar een weg.
    Zoeken tussen vlammen.
    Ik wil eruit.
    Wil hier niet zijn.
    Mijn herinnering niet vastklampen.

    Het licht der lantaren.
    Verlicht mijn pad ,
    Mijn pad van eeuwig verdriet
    En enig klein stukje vrede.
    Vind ik nooit, hiertussen niet.

    Lichtstralen door gebroken ramen.
    Guernica is stil.
    Vlammen door de kille straten.
    En de zon die niet kan laten,
    om een straaltje door te geven.

    t’is weer tijd voor een nieuwe dag.
    Om alles aan te zien
    Maar wat niet veel mensen weten.
    Is dat niemand zal vergeten.
    Dat deze dag er was.